Bronvermelding:
Jacobus
Bouman:
Bedijking,
opkomst en bloei van de Beemster
en Grootvaders
memorieboek
Joop
Wit:
Waterland.
Tekst:
Cor
en Koosje Franken
Illustratie:
W.A.Porte
Waterland
Tussen Amsterdam en Alkmaar, Zaanstreek en IJsselmeer
ligt van oudsher een gebied van meren, rivieren en moerassen:
Waterland. Men zou voor dit gebied geen betere naam kunnen
bedenken..Tot
de zevende eeuw stroomden hier een aantal veenriviertjes,
waaronder de Bamestra. Door de sterke stroming, die een
ernstige landafslagveroorzaakte, veranderde het riviertje
tenslotte in een groot meer: De Beemster.
Na eeuwen
van strijd liggen land en water in vreedzame harmonie naast
elkaar. De trotse stolpboerderijen, de zwierige huisjes en
de dijken die water en land scheiden, verraden weinig van
het grimmige gevecht, dat de mens hier in het verleden tegen
de elementen voerde.
Een
oude kaart van Waterland met vier grote meren Beemster,
Wormer, Schermer en Purmer
De Allerheiligenvloed
De Allerheiligenvloed op 1 november 1170 maar ook andere stormvloeden
brachten duidelijk aan het licht, dat het afkalven van de oevers
van de meren een voortdurende bedreiging vormde. Het zou echter nog
tot eind 16de eeuw duren voor men het gevecht tegen het water doeltreffend
kon opnemen.
Plannen
voor de droogmaking
Na de verovering van Antwerpen door de legers van de hertog van Parma,
vluchtten vele inwoners uit dit gebied naar Amsterdam, onder wie de rijke
koopman Dirck van Oss. In Amsterdam zette Van Oss zijn zaken voort en
werd deelnemer in de Verenigde Oostindische Compagnie (VOC). Daarmee
verdiende hij veel geld, dat hij winstgevend wilde beleggen.
In die
tijd bestond veel vraag naar goede cultuurgrond. Enige kleine
meren rondom Alkmaar waren al drooggemaakt en in cultuur
gebracht, maar aan de grote en diepe Beemster, Schermer en
Purmer durfde men niet te beginnen omdat de daarvoor nodige
hulpmiddelen nog ontbraken..
Periode
van uitvindingen
Omstreeks het eind van de 16de eeuw werden veel uitvindingen gedaan,
zoals die van de achtkantige binnenkruier, die de mens in staat stelde
de molens 'met alle winden mee' te laten draaien. Deze molen hoefde slechts
met de kap op de wind te worden gesteld. Op het gebied van de droogmaking
werden ook diverse systemen bedacht voor het lozen van water met op-
en neergaande bakken of vijzelen en slingeren van het water. Weer een
andere uitvinding maakte het mogelijk om met uitgeholde pompen het water
omhoog te voeren. Met betrekking tot het droogmalen van de Beemster onderzocht
een commissie alle mogelijkheden, waarbij de keus viel op de achtkantige
watermolen.
Bestuur
Voor de toekomstige polder werd een bestuur ingesteld, dat bestond uit
een dijkgraaf, heemraden en hoofdingelanden. Zij waren de regenten en
rijke kooplieden die met Dirck van Oss de droogmaking aanvroegen. Daar
waren bijvoorbeeld Rombout Hogerbeets en Nicolaas Cromhout. Lambert Wijngaartszn
van Vollenhoven had eigendomsrechten op het meer. Ten behoeve van de
droogmaking zag hij daarvan af en werd als tegenprestatie benoemd tot
eerste dijkgraaf.
Aanbesteding
In alle steden van Holland en West-Friesland werd bekend gemaakt, dat
iedere molenbouwer die mee wilde werken aan de droogmaking met de achtkantige
molen naar de herberg 'De Drie Morianen' in Amsterdam moest komen. Echter
nog voor anderen de kans kregen gingen Pieter Claesz uit Graft en Pieter
Pieterszn uit De Rijp naar de vergadering van de hoofdingelanden met
het aanbod om voor slechts 127 duizend gulden de hele Beemster met slechts
zestien molens binnen een jaar droog te malen en droog te houden. De
initiatiefnemers stemden met dit voordelige aanbod in.
Jan Adriaenszn Leeghwater
Leeghwater
was een geniaal en inventief man. Hij kreeg het oppertoezicht over
de molens. Hij bracht veel verbeteringen aan en deed kleine uitvindingen,
die praktisch toepasbaar bleken. Op verzoek van Dirck van Oss hield
hij aantekeningen bij, verrichtte op diverse plekken peilingen naar
de diepte van het meer en berekende aan de hand daarvan de capaciteit
van de molens
Vergunning
Op 9 mei 1607 werd bij de landsadvocaat, Johan van Oldenbarneveldt, het
verzoek ingediend voor de bedijking van de Beemster en reeds op 21 mei
1607 werd de vergunning verleend. Het werk kon beginnen met de verplichting
om rondom de Beemster een ringsloot te maken. Ook moest er een uitwateringskanaal
komen van Ursem via Avenhorn en Oudendijk naar Lutje-Schardam, inclusief
het aanleggen van een sluis in de zeedijk aldaar.
Verdeling
van het land
Veel vertrouwen bleek te bestaan in de wijze waarop het werk werd aangepakt,
want voordat de eerste molenwieken draaiden werd het land al verkocht
voor 27 gulden per morgen. (Een morgen is 8514 m2). Molens
Met zestien schepradmolens, tien nieuwe en zes oude, meende men de polder
te kunnen droogmalen. In mei 1608 moesten de bovenmolens kunnen malen
en een maand later de benedenmolens. De molenbouwers hadden zich vastgelegd
om voor Allerheiligen, 1 november 1608, het meer droog gemaald te hebben:
twee van hun nieuwe molens zouden net zo veel water uitmalen als drie
oude. Indien dat niet werd nagekomen, kregen ze een boete van zes duizend
gulden.
Begin
werkzaamheden
Aanleg ringdijk
De ringdijk werd in afzonderlijke delen, variërend van veertig tot
honderd meter, aanbesteed en uitgevoerd. Men kon dus op veel plaatsen
tegelijk beginnen. Het
bleek bijzonder moeilijk de Beemster af te sluiten van de andere meren
in de omgeving. Bij Spijkerboor was een stroomgat. Daarom moesten er
palen in de grond worden geheid, zodat daar een zware damwand gemaakt
kon worden. (Deze palen zitten er nog!)
Tegenslagen
De droogmakers hadden geen geluk, want de zomer van 1608 was erg slecht.
Daardoor was de ringdijk niet op tijd gesloten. De hoofdingelanden betaalden
de misrekening en dijkgraaf van Vollenhoven trad af. En er was nog meer
tegenslag. De boeren en vissers uit de omgeving waren niet blij met de
droogmaking en probeerden het werk te saboteren.De
genadeslag was echter de verschrikkelijk januaristorm van 1610. Deze
veroorzaakte doorbraken op verschillende plaatsen in de Waterlandse zeedijken.
De daardoor veroorzaakte vloedgolf bereikte de nieuwe zwakke dijk van
de Beemster, die het eveneens begaf. De gehele droogmaking scheen een
volkomen mislukking. Men zag 'acht tonnen goud in brokken veen en kapotte
molens op de golven drijven', aldus berichten de kronieken.
Opnieuw
beginnen
Veel aandeelhouders trokken zich terug om nog grotere verliezen te voorkomen,
maar de hoofdingelanden onder leiding van Dirck van O ss
gaven de moed niet op. Een klein miljoen armer, maar een ervaring rijker,
besloten ze de dijk hoger en sterker te maken. Na een voorlopige dichting
van de dijk begonnen de molens in juni 1610 opnieuw te malen. Tijdens
het droogmalen werd verder gewerkt aan de versteviging van de dijk. In
1611 vielen voor de tweede maal de meest ondiepe delen van het meer droog.
Geen
zestien maar 43 molens
In
de winter 1610-1611 lag de Beemster dichtgevroren en verrichtten
de landmeters op de ijsvlakte nuttige opmetingen.
Victorie
Maar uiteindelijk overwon de mens en op 19 mei 1612 viel de Beemster
geheel droog.De
totale kostprijs van de bedijking was bijna twee miljoen guldens, ongeveer
15 keer zoveel als men verwacht had. Voldaan over het welslagen van de
onderneming nodigden de hoofdingelanden de prinsen Maurits en Frederik-Hendrik
uit om het nieuwe land te komen bekijken. Zij werden op 4 juli 1612 ontvangen
in een tent, op de plek waar nu Het Heerenhuis staat.
Verloting
van de grond
Er bleek veel belangstelling te bestaan om een stuk land in de nieuwe
polder te kopen. De grond werd verdeeld in kavels van 20, 8, 5 en 2 morgen
en door middel van verloting aan 123 deelnemers verkocht. Dit gebeurde
op 30 juli 1612 in de grote zaal van slot Purmersteyn. Daar trok landmeter
Lucas Sink de biljetten 'met blote armen' uit twee korven. In de ene
korf bevonden zich de namen van de gegadigden en in de andere de nummers
van de kavels.
Dijkgraven
Tobias de Coene
Na de ramp in 1610 werd Tobias de Coene tot dijkgraaf verkozen. Hij bleek
een bijzonder bekwaam bestuurder en voerde onder meer de Keur in, waar
de rechten en plichten van de bevolking in waren vastgelegd. Tot 1618
heeft De Coene zich aan de belangen van de Beemster gewijd. Bij zijn
overlijden schreef Hugo de Groot, beroemd Nederlands rechtsgeleerde,
een lofzang die in een marmeren plaat werd gegraveerd. Deze gedenksteen
bevindt zich nog in de kerk van Middenbeemster . Ook het hart van De
Coene ligt in deze kerk begraven. Daaraan herinnert een nu gebroken en
afgesleten zerk.
Dirck
van Oss, de Jonge
De opvolger van De Coene was Dirck van Oss, de Jonge, de zoon van Dirck
van Oss, de grondlegger van de droogmaking van de Beemster. Deze functie
heeft hij bijna vijftig jaar, tot 1666 uitgeoefend.
Het
leven in de nieuwe polder
De eerste bewoners
Het
in cultuur brengen van de polder, zoals het aanleggen van wegen,
het verbreden en uitdiepen van sloten duurde nog jaren. De arbeiders
die daaraan werkten, woonden in buurtschappen, die uit houten
keten bestonden. De herinnering hieraan wordt nog bewaard door
namen als 'Hoornse Keet', een voormalige herberg op de hoek van
de Middenweg en de Hobrederweg.
Landbouw
en veeteelt
De vruchtbare
grond werd hetzelfde jaar nog ingezaaid met koolzaad. De
eerste oogst leverde zoveel op, dat alle oliemolens in de
omgeving een jaar lang konden malen. Ook het grasland was
zeer goed.Tijdens
zware regenbuien was er te weinig opvang van water. Omdat
de bemaling lang niet altijd voldoende was, stonden er in
de herfst en winter stukken lan d
onder water. Om die reden werd veel bouwland omgezet in weiland.
De koe is voor de Beemster altijd de belichaming geweest voor de welvaart.
Dat komt ook tot uiting in het gemeentewapen. Dit bestaat uit een veld
van lazuur (hemelsblauw), waarop een koe van keel (rood) beschenen wordt
door de zon. Vroeger
graasden er in de Beemster ook veel vette rode weide-ossen voor de slacht.
Het vlees werd gepekeld voor de verre reizen van de Hollandse Handelsvloot.
Door de runderpest verloren veel boeren hun gehele veestapel. Roodbont
vee werd langzamerhand vervangen door zwartbont
Buitenplaatsen
en lusthoven
De
familie van Oss liet aan de Volgerweg een grote buitenplaats bouwen
en noemde het Zwaansvliet. Veel regenten en kooplieden uit de steden
volgden dit voorbeeld. In de zomer waren namelijk de hygiënische
toestanden in de stad bijzonder slecht. De meeste buitenplaatsen
stonden aan de Volgerweg en waren met hun singels, tuinen en koepels
een sieraad voor de polder. Ook wat minder rijken kwamen naar de
Beemster en lieten een stolp bouwen. Voor hen was het voorste deel
van de boerderij ingericht als buitenverblijf en het achterste deel
was voor de pachter en zijn gezin.Twee boerderijen met 'heerschapsvertrekken' zijn
De Eenhoorn (1682) en de Lepelaar (1683) aan de Middenweg.
De kerk
van Middenbeemster
Van
elke honderd morgen drooggemaakt land was er één
voor de kerk. In 1618 werd een begin gemaakt met
het leggen van de fundamenten voor de kerk. Tevens
werd een kerkhof aangelegd. In 1622 werd gestart
met de opbouw van de kerk. Hendrick de Keyser, de
beroemde architect van het paleis op de Dam, heeft
de kerk ontworpen.
Beemster
Biddag
Op 30 juli 1623 werd de kerk plechtig ingewijd. Elk jaar wordt deze dag
herdacht op Beemster Biddag.
Torenspits
In 1624 ontstonden ernstige verzakkingen in de toren, die toen een lage
kap had. Deze werden met grote kosten verholpen. Men besloot te wachten
met het plaatsen van de spits tot de grond wat vaster was. In 1661 werd
de achtkantige spits op de toren geplaatst onder leiding van de eveneens
bekende bouwmeester Pieter Post. 
<--
Kerk geschilderd door Pieter Fabritius omstreeks 1640)
Torenspits
gebouwd door Pieter Post --->
Stovenkamer
In 1626 werd aan weerszijden van de toren een kamer gebouwd. De kamer
aan de zuidzijde werd bestemd voor consistorie en die aan de noordzijde
voor gebruik door het kerkvolk. Momenteel noemt men dit vertrek de
stovenkamer. In de winter bij slecht weer konden de kerkgangers,
die vaak van ver kwamen lopen, zich warmen bij de grote, fraai betegelde
schouw. Omdat in de herfst en de winter de wegen onbegaan waren,
kwamen de kerkgangers per boot of lopend over kaden en erven naar ' De
Buurt' . Als ze tijdens hun wandeling naar de kerk door de plassen
moesten waden, namen de mannen de vrouwen op hun rug. Velen hadden
trouwens in Middenbeemster een 'huisje-van-loop-an', waar kerkboek
en stoof bewaard werden en 'verkledersgoed' hing.
18de
eeuw tot heden
Bestuur
De
Beemster viel tot de Franse tijd (1795) onder het bestuur van
de dijkgraaf en de hoofdingelanden. De Fransen stelden het
burgerlijk bestuur in. Dat was aanvankelijk gevestigd in de
consistoriekamer van de Hervormde kerk in Middenbeemster. Vanaf
1799 diende het Heerenhuis als plaats waar de raadsvergaderingen
werden gehouden en huwelijken gesloten. De gemeentelijke afdelingen
werden vanaf 1923 gehuisvest in de secretarie in de Leeghwaterstraat.
Middenbeemster kreeg in 1993 een eigen gemeentehuis.
Het
droog houden van de Beemster
De
molens die natuurlijk afhankelijk waren van de weersomstandigheden
en het waterpeil in de boezem waren soms toch niet
in staat om de hele Beemster goed droog te houden.
Aan het eind van de 19de eeuw werden ze vervangen
door stoom- en later door electrische en dieselgemalen.
(Thans wordt de Beemster drooggehouden door twee
moderne gemalen.)
Teruggang
Door de vele oorlogen in de 18de eeuw en de Franse overheersing verarmde
de koopmansstand. Men was niet meer in staat het dure buitenleven
te bekostigen. In de 19de eeuw werden de buitens en lusthoven gesloopt.
Boerderijen
De grote buitenplaatsen en lusthoven zijn verdwenen, maar gelukkig zijn
er nog wel veel fraaie stolpboerderijen. Verscheidene worden niet meer
voor het boerenbedrijf benut. Veel kapitaalkrachtigen hebben zo'n boerderij
gekocht en hebben de stolpen naar de eisen van de moderne tijd, echter
met toewijding voor het verleden, opgeknapt. Zo kunnen de stolpen gelukkig
worden behouden.
Verkeer
De wegen
Bij de droogmaking werden de wegen breder als toen gebruikelijk was,
opgezet. Ze moesten zo breed zijn dat twee koetsen elkaar konden passeren.
Tot in de 20ste eeuw is de breedte voldoende gebleken.In
de herfst en in de winter waren de onverharde wegen bijna onbegaanbaar.
Men kon alleen met paard en schuit reizen. Al spoedig kwam er een vaste
beurtvaartdienst tussen Purmerend en Middenbeemster. De
ringdijk tussen Purmerend en Oosthuizen werd tot jaagweg gemaakt. Op
een jaagweg werden schepen door paarden voortgetrokken.Op
de meeste polderwegen, zoals die tussen Purmerend en Middenbeemster kwamen
schelpenpaden. Waar huizen stonden kwamen planken paden.De
eerste straatweg kwam in 1849. Deze liep van Purmerend naar Middenbeemster
en vandaar naar Avenhorn en De Rijp. Na 1850 werden gelijk de andere
wegen verhard.
De tram
(1895-1932)
In
1895 werd de tramlijn Amsterdam-Purmerend-Alkmaar geopend,
een smalspoorlijn. De wagens werden getrokken door stoomlocomotieven.
De machinist stond opzij van de stoomketel en keek langs de
zijkant of door de lage raampjes. De
reis Amsterdam-Purmerend duurde drie kwartier en de reis Amsterdam-Alkmaar
twee uur. Vanaf het station Purmerend (bij de Jaagweg) reed
de stoomtram over een ophaalbrug Zuidoostbeemster binnen. Deze
brug was beveiligd door een wachter met een vlag en een seinpaal.
Met een grote S-bocht slingerde de baan zich langs de Purmerenderweg
naar beneden. De lijn ging via Middenbeemster langs de Rijperweg
naar De Rijp en via Schermerhorn naar Alkmaar. Als het geijzeld
had, kon het gebeuren, dat de locomotief niet op eigen kracht
de dijk op kon. Vele malen ging het trammetje dan achteruit
om een aanloop te kunnen nemen. Dat was een groot spektakel
voor de omwonenden. Als het niet lukte werd de hulp van de
passagiers en kijkers gevraagd om mee te helpen duwen.
Bekende
Beemsterlingen
Carel Fabritius (1622-1651)
Carel was
de zoon van de eerste schoolmeester en koster van de Beemster
en een van de begaafdste leerlingen van Rembrandt. Zijn werk
berustte niet, zoals bij Rembrandt op contrasten, maar op
nauwkeurige observatie van lichtwaarden. Hij bracht ook perspectief,
ruimte en sfeer in zijn werk. Zijn schilderijen hangen onder
meer in het Rijksmuseum Amsterdam en het Mauritshuis in Den
Haag. In 1650 verhuisde hij naar Delft. Hij werd er in 1652
lid van het Delftse gilde. In 1654 kwam hij om het leven
door de ontploffing van een kruithuis waarbij ook zijn atelier
werd vernield. Vermoedelijk is dat de oorzaak van het feit
dat er slechts weinig werk van hem rest.
Betje
Wolff (1738-1804)
In
1759 trouwde Elisabeht Bekker uit Vlissingen met de dertig
jaar oudere dominee Wolff, die predikant was in de Beemster.
De pastorie, waarin zij woonden is het huidige museum Betje
Wolff. Betje genoot in heel het land bekendheid als schrijfster
en dichteres. Ze schreef romans, novellen, gedichten en dorpsschetsen.
Na de dood van ds Wolff in 1777 ging ze met haar vriendin
Aagje Deken (1741-1804) eerst in De Rijp en later in Beverwijk
wonen. Samen schreven ze meerdere boeken in briefvorm, onder
meer: Sara Burgerhart en Willem Levend. Tot op heden hebben
ze daaraan hun bekendheid behouden. Men kan wel zeggen dat
ze de eerste schrijfsters waren, die aan vrouwenemancipatie
deden.
In
1787 kwamen de Pruisen in ons land om steun te geven aan Willen
V. Betje en Aagje namen de vlucht naar Frankrijk. Zij waren
namelijk aanhangers van de tegenpartij, de patriotten. In 1795
vluchtte Willen V naar Engeland, toen de patriotten met behulp
van Franse troepen de Bataafse Republiek uitriepen. Betje en
Aagje kwamen toen terug. In 1804 stierven ze, negen dagen na
elkaar.
Jacobus
Bouman 1799-1877
Bouman was veehouder en wat men tegenwoordig noemt een autodidact. Hij
diende de gemeenschap in vele functies. Zo was hij president/kerkvoogd,
hoofdingeland, medeoprichter en bestuurslid van de Hollandse Maatschappij
van Landbouw. Hij was eveneens medeoprichter van het Beemster Veefonds,
dat destijds voor veel binnen- en buitenlandse instellingen tot voorbeeld
diende. Bouman had bovendien contacten met geleerden in ons land. Ook
schreef hij artikelen in tijdschriften over landbouw. Met zijn boek ' Bedijking,
opkomst en bloei van de Beemster' heeft hij veel bijgedragen aan de geschiedschrijving
over de droogmaking.
Wouter
Sluis (1827-1991)
Ook hij was veehouder, maar meer een practicus, gericht op landbouw en
veeteelt. Hij was een rusteloos zoeker en beproever van nieuwe methoden.
Zo voerde hij het gebruik van veel nieuwe werktuigen in, zoals maaimachine,
hooischudder, zaai- en dorsmachines, gierkar enz. Dankzij zijn streven
waren deze hulpmiddelen in 1880 reeds algemeen in gebruik. Ook bedacht
hij een methode waardoor slechts een keer per dag, in plaats van twee
keer gekaasd hoefde te worden. Om de polderlasten te verlagen werden
op zijn initiatief wegbermen beplant met fruitbomen. Hij ijverde zich
voor het
stichten van kaasfabriekjes, stoombemaling, brongas enz.
Werelderfgoed
De Beemster, die nu al bijna 400 jaar geleden als nieuw-gewonnen land
in gebruik werd genomen, wordt thans gezien als een staaltje van
ondernemers- en vakmanschap van weleer. Wel lopen er momenteel grote
snelwegen door het landschap maar toch is aan de oorspronkelijke
indeling niet getornd. De Beemster is een monument waar de invloed
van het tijdperk van de Renaissance nog in te herkennen valt. Om
deze reden werd de polder eind 1999 op de lijst van Werelderfgoederen
van de Unesco geplaatst. |