Al
glurend kijk ik in het gezicht van een man. Hij staat
op, komt naar buiten en vraagt mij vriendelijk of ik
interesse heb voor de nieuwe
aanwinst
van het museum. Ik vertel hem dat ik één van de erfgenamen
was van dit huis en van de ontelbare malen, dat mijn
kindervoeten via de smidse en de kamer door de stal weer
naar buiten gingen,op weg naar het huis van mijn grootouders. "U
hebt het huis gekend met de stal?", vraagt de beheerder.
Ja, dat heb ik! .. De stal herleeft in mijn gedachten:
de gele steentjes en de grote deuren, waardoor een wagen
kon. Maar ook herinner ik me het kippenvel en de genotvolle
griezelgevoelens als de storm buiten loeide en het kleine
petroleumlampje deed flikkeren.
Slechts
de naaste omgeving met het daarin aanwezig zijnde 'stilletje' werd
verlicht. Het overgrote deel van de stal hulde zich echter
in een geheimzinnig duister. Groteske schaduwen speelden
langs de hoge muren en maakten dat je er met kloppend
hart snel doorheen liep of steviger de hand van je begeleidster
vastpakte. Dit smidshuis is onverbrekelijk verbonden
aan mijn jeugd.
Herinneringen
aan alles wat liefdevol en goed was in
Middenbeemster
Het
huis van mijn grootouders aan de Middenweg was een vriendelijk
langgerekt huis met een sloot voorlangs. Zomers weerspiegelden
zich daarin de uitbundige kleuren van de Oost-Indische
kers. Een brede brug ging over in een breed pad langs
het huis. De zijkant van het huis was begroeid met klimop
en aan de slootkant was een kleine steiger voor het schuren
van pannen en emmers. Voor het huis stond naast de kamer,
die 's zomers bewoond werd, een witte bank, vanwaar men
over een grote bloembak van boomschors, gevuld met margrieten,
rode en roze geraniums, lobelia en petunia op de weg
uitzag. Tante Vrouwkje logeerde vaak bij grootmoeder
als wij er waren. Ze zat altijd op die bank boontjes
af te halen, aardappels te schillen of bessen te ritsen
en dan maar praten, praten. Ze had veel verdriet gehad
en was altijd in het zwart gekleed.
Achter het huis was de moestuin met bessenstruiken
en oude dirkjes-peren, een vroege peer, die niet meer
bestaat. Naast het bleekveldje was de 'plee' aan een
sloot, die het erf scheidde van het weiland van boer
Oly. Als we 's winters naar de plee moesten en de stormwind
door de hoge bomen en struiken loeide, was de zeven meter,
die de plee van het huis scheidde een afstand, die met
kloppend hart en haast rennend werd afgelegd.
Met
grootmoeders wollen zwarte omslagdoek omgeslagen, zat
je daar met je billen bloot boven het gat, waar de koude
wind ijzig doorheen joeg. Je slaakte dan ook een zucht
van verlichting als het karwei geklaard was en je weer
veilig binnen was. 's Zomers verbeeldde ik me, dat ik
er zou kunnen wonen. Met de deksel op het gat, links
aan de wand een kastje, rechts een piepklein petroleumstelletje,
een kussentje en een deken. en ik had mijn eigen villa.
Toen ik wat groter werd, kon ik in de zomeravond op dit
plekje staan dromen. De koeien in het weiland, hun poten
gedompeld in de avondnevel, waren niet zo dromerig als
ik, in een stilte die door niets verstoord werd dan soms
een late vogel.
Bij
de achterdeur stond een halfronde houten wand als bescherming
tegen de koude Noordoostenwind. Dan kwam je in een klein
gangetje opzij, waar de keuken aan vastzat. Daar was
het altijd lekker warm, want grootmoeder kookte op drie-
en vierpits petroleumstellen. Daar stond ook een filter
om het regenwater te zuiveren, zodat je het zonder gevaar
kon drinken. Tot grootmoeder in 1926 het huis verliet,
was er geen waterleiding en ze heeft altijd op petroleum
gekookt.
De
trap naar boven stond ook in het keukentje en kon helemaal
tegen de muur geschoven worden. Langs het trapgat liep
een smalle richter tot aan de deur van het kamertje waar
wij sliepen. Dat richeltje was een van de opwindende
zaken bij een logeerpartij, want als je misstapte, kon
je zo op de keukenvloer vallen. Toen we klein waren ging
het luik er over zodra we in bed lagen. Het kamertje
had twee lage bedsteden met hagelwitte valletjes en gordijnen.
De vogels, die in de klimop nestelden, zongen ons 's
zomers wakker. In het kamertje er naast werd in een diepe
kast het speelgoed van mijn moeder en haar broers en
jongere zusters zorgvuldig bewaard. Er was natuurlijk
een pop met een wiegje en de beeldigste serviesjes, een
eet- en een theeserviesje. Er was een schooltje met een
meester en leerlingen, vragen en antwoorden, een poppenhuis
en de complete Ankersteenbouwdozen.
Cultuur
en ontspanning.
Mijn
grootvader was een bijzonder mens, huisschilder van beroep.
Daarnaast was hij ook regisseur van de plaatselijke toneelvereniging.
Tante Annie speelde altijd de vrouwelijk hoofdrol; grootvader
die van de strenge, onbuigzame, of de door het noodlot
getroffene en mijn ooms Daan en Hero verzorgden de coulissen:
Eén van hen was souffleur, De stukken, die grootvader
regisseerde, hadden allen een sterk sociale tendens,
o.a. het streven naar staatspensioen. Het zou echter
nog jaren duren voordat dit gerealiseerd werd. Hij mocht
dat zelf niet meer meemaken. Grootvader zat ook
in het bestuur van de Vereniging tot Nut van 't Algemeen
en hij was het die de boeken over Merijntje Gijzen van
A.M.de Jong bij de leeslustige Beemsterlingen introduceerde.
In de winterwoonkamer waren twee bedsteden, de ene werd
door mijn grootouders gebruikt; van de andere was een
kantoortje gemaakt. Een groot bureau nam de hele breedte
in beslag en verder stond er een stoel en nog een kastje
voor de zakenboeken. Boven het bureau en het kastje hingen
boekenplanken, volgepropt met jaargangen van De Gids
en De Nieuwe Gids. De Stem, de werken van Ibsen en veel
stukken voor amateurtoneel.
Als
de donkere winterdagen de mensen dwong tot ophouden met
waar ze mee bezig waren, werd er geschemerd. Het enige licht
in de kamer kwam van het vuur in de kachel en van het
theelichtje, dat door de geperforeerde zijkantjes lichtkringetjes
op het beschot wierp. Grootmoeder zat dan een beetje
te dutten in haar eigen stoel. Wij, die bij het laatste
sprankje daglicht nog trachtte de nodige bladzijden te
verslinden, moesten het uiteindelijk opgeven en onze
ziel in lijdzaamheid bezitten, totdat grootmoeder het
tijd vond om de lamp aan te steken. Dat was tot na de
eerste wereldoorlog nog petroleum, Gas is er nooit voor
verlichting geweest. Na de petroleum kwam de elektriciteit.
We
leerden al vroeg allerlei kaartspelletjes en oom Hero
maakte van oude speelkaarten huizen met dubbeldikke wanden,
die je voor muren, daken en vloeren kon gebruiken. Daartussen
kon je dan de enkele kaarten (waar ramen, deuren en hekjes
waren uitgesneden) schuiven. Hoe jammer, dat je geen
idee had hoe uniek dit allemaal was.
Beemster kermis
e
Beemster kermis viel altijd in de laatste week van juli
en dus in onze grote vakantie Dat was ieder jaar weer
een geweldige belevenis. 's Maandags werd de zaak opgebouwd,
de kramen op het kleine landje, de schommels, zweefmolen
enzovoort op het grote landje. Dinsdag was er koeienmarkt
en werden we 's morgens vroeg al wakker van het geloei;
woensdag was er paardenmarkt en was het al gehinnik wat
we hoorden. Maar donderdag was de grote dag: iedereen
had vrij en wij mochten onze mooiste jurk aan.
Het
feest begon 's morgens om een uur of tien met het ringsteken
in sjezen. De rijke boerenzoons kwamen aanrijden met
hun meisjes, in vol ornaat. De meisjes, gesierd met goud
en juwelen; niet altijd smaakvol maar wel een enorme
welstand tentoonspreidend, in de prachtige eveneens rijk
versierde sjezen, de jongens met de lans in de hand.
De paarden schitterend opgetuigd en geroskamd, zodat
ze glansden als satijn, En dat alles kwam langs grootvaders
huis, Het lijkt wel of die dagen altijd de zon scheen,
maar het zal toch ook wel eens geregend hebben.
Na
het ringsteken werd er eerst gegeten en dan begon de
kermis.
Voor
de smidse werden banken, stoelen en tafels gez
et
en de hele familie kwam daar bijeen. Oom Piet op zijn
zondags en tante Ant, die iedereen laafde met thee, koffie
of limonade. Mijn grootouders, soms mijn vader en moeder,
Oom Hero en tante Klaartje, oom Daan en tante Nel, oom
Jan en tante Pietje, die aan de Beets woonden, waar oom
Jan machinist was aan het gemaal. Tante Pietje, die niet
fietste, liep dan drie en een half kruis (een kruis is
1.8 km) naar de Beemster, tenzij een vriendelijke boer,
die ook kermiswaarts ging, haar oppikte en meenam in
zijn rijtuig. Bussen waren een onbekend begrip. Had je
geen vervoer, dan liep je, zo simpel was dat.
Wij
kinderen kregen van de grote mensen een 'kermiscent' van
de één een dubbeltje, van de ander een kwartje en o,
rijk! Soms een gulden.
Toen ik zo'n jaar of vier
vijf was, was ik gek op de hobbelende geit, een soort
oude koets op vier ongelijke poten, zodat je op de
meest afgrijselijk manier heen en weer hobbelde. Ik
zat er uren in en moest er met geweld en brullend uitgesleurd
worden. Dit alles tot groot misnoegen van de eigenaar,
die aan mij zijn beste klant verloor.
Vrijdag was weer een rustige dag en op zaterdag
waren er draverijen op de Rijperweg. Dat was de grootste
hartsticht van oom Piet, die er niet weg viel te slaan
tot na de laatste rit. Op maandag waren al vrij vroeg
alle kermissporen verdwenen en hervond het dagelijks
leven zijn ritme.
De familie van Wijngaarde
Het
gezin waarin mijn grootvader Hero werd geboren telde
7 kinderen, die allemaal volwassen werden. En zo waren
er ook een massa neven en nichten. Aagjes, Aaltjes, Jantjes
Bieders en Heros. Aagje was ook zo'n volle nicht van
mijn grootvader. Ze was vrolijk, goedhartig, gul en goedlachs,
maar deed haar naam eer aan. Ze wist altijd alles van
en over iedereen. Niets en niemand was veilig voor haar
nieuwsgierigheid en haar scherpe tong. Haar man. Piet
Stuffers, was een echte goeierd en zijn broodjes waren
de lekkerste van Zuid-, Midden- en Noordbeemster: met
echte boerenboter, het summum van genot!
Toen hun
zoon de bakkerij overnam gingen Piet en Aafje Stuffers
wonen in een aardig huis, een villaatje met een torentje
aan het dak aan het einde van de bebouwde kom aan de
Middenweg.
Wij kwamen er dolgraag en hadden lang
niet
altijd door, dat ze ons uithoorde over het reilen en
zeilen bij grootvader thuis.
Kerstvakantie
in Middenbeemster
Ik
zal een haar of vijf zijn geweest toen zus Gerda en ik
onder de hoe van Ida, een struise en deugdzame Friezen
die toentertijd als dienstmeisje bij ons in huis was,
de reis aanvaardde op 24 december. Het was er koud, sneeuw
en hagelbuien wisselden elkaar af. Eerst gingen we met
de trein van Bussum naar Amsterdam, dan moest je van
het Centraal Station oversteken naar het Noordhollandsch
Koffiehuis, waarvandaan het bootje vertrok dat ons over
het IJ naar het station van de Tramwegmaatschappij bracht.
Door de vakantiedrukte en het erbarmelijk weer kwam de
trein echter te laat aan en toen Ida met ons en de koffer
bij de steiger kwam, was het bootje al los van de wal.
Maar geen nood! Hulpvaardige handen tilden ons kindneren
over de railing en Ida, bepaald geen lichtgewicht en
een beetje preuts, volgde op dezelfde manier en natuurlijk
onder veel gelach van de stoere redders.
Een
treetje of zes naar beneden en je kwam dan in een kleine
kajuit, een tafel in het midden met rood leer beklede
banken aan de kant en een klein petroleum; lampje in
een hoek. Er ging altijd een wat muffe rokerig en naar
natte kleren en mensen ruikende lucht, maar; s winters
had het ook wel iets gezelligs en was te verkiezen boven
het ijskoude dak. 's Zomers zat je op de lange banken
naast de reling en als de boot de sinister ogende doorvaart
onder de lage bruggen naderde, riep de conducteur "Hoofe"en
iedereen bukte. Een klap van de brug tegen je hoofd zou
zeen zeer onaangename ervaring geweest zijn. Wij kinderen
bukten braaf mee, als de dood zo bang.
Na
een kwartiertje varen waren we aan de overkant van het
IJ. Daar stond de tram van de Noord-Hollandsche Tramwegmaatschappij,
die driemaal per dag het traject van Amsterdam naar Alkmaar
reed. De tram had een stoere vierkante locomotief, een
goederenwagon en twee personenwagens, waarvan in de voorste
een klein eerste klas compartiment, heel chique met rode
pluche. De tweede klas had twee banken aan de lange zij
tegenover elkaar, zonder pluche en hard, maar de billen
van het gewone volk moesten daar maar tegen kunnen. Het
geheel werd; s winters verlicht door petroleumlampjes,
die in twee hoeken, schuin tegenover elkaar, hun best
deden de reizigers met hun schijnsel wat op te monteren.
Lezen was onmogelijk en voor de warmte moest je zelf
zorgen, dus hoe meer zielen hoe meer warmte.
Tijdens de rit passeerden we de dorpen langs
het Noord-Hollands Kanaal, Nieuwendam, Buiksloot, Zonderdorp,
Schouw, Watergang, Ilpendam. De tram ging over enkel
spoor. Op bepaalde plaatsen een wissel, o.a. in Zunderdorp,
waar de vissersvrouwen van Volendam en Edam overstapten
op de andere lijn. De struise boerinnen uit de
Beemster
waren duidelijk herkenbaar, tweemaal zo breed als een
gewoon mens en zeer zelfbewust, soms een tikkeltje neerbuigend
in de wetenschap van hun goedgevulde beurzen. Belangrijkheid
en status.
In
de vroeg donkere wintermiddag was er buiten niet veel
te zien en zo sukkelden we, hangerig en verveeld, verder
tot Purmerend. Dan leefden we weer op want het einddoel
naderde. Je werd weer wakker van het geschreeuw, het
laden en lossen, hoewel je er soms nog wel eens op de
tram van de andere kant moest wachten. Maar eindelijk
gleden we dan toch de polder in met zijn rechte wegen
en vierkante scherpe hoeken. Als het vroor probeerden
we, zitten op onze knieën met onze adem kijkgaatjes in
de bevroren ruiten te maken. De
boerderijen lagen diep in het land met hier en daar een pinkelend
lichtje aan huis of stal. Op het laatste kruis voor Middenbeemster
was nog een wissel en ook daar was het nog wel eens tien
minuten wachten, maar soms ook stond de andere tram er
al. Tot Middenbeemster deed de tram er wel twee uur over.
Eindelijk in Middenbeemster

Eindelijk
naderden we dan Middenbeemster. Vanaf de kerk reed de
tram luid bellend en stapvoets. De conducteur met rode
vlag vooroplopend, over het kruis. Dat was het sein voor
grootvader om de warmte van het smidshuis te verlaten
en ons op de wachten bij café Tramzicht dat dienst deed
als station.
Als we na de lange reis van Bussum
naar de Beemster koud en moe aankwamen, voelden we ons
van de ene minuut op de andere omsloten door een gevoel
van warmte en veiligheid, zodra we de altijd enigszins
geheimzinnige halfdonkere smidse binnen kwamen.
Op
het gerucht ging de binnendeur van de kamer open en in
het heldere licht van de lamp stond daar tante Ant en
zei Wel, wel daar hewe de kinders van Aag. Dan kregen
de kinders van Aag een beetje prikkerige zoen, werden
bekeken en iedere vakantie groter en flinker bevonden
en voelden zich omringd door een onverklaarbaar gevoel
van welbehagen, waar nooit een einde aan zou kunnen komen.
Gelukzaligheid
Hoe
goed waren ze, tante Ant en Oom Piet, Tante Ant, die
haar persoonlijk geluk opgaf en haar minnaar heenzond
om voor moeder en de broers te zorgen. De broers trouwden
natuurlijk, behalve oom Piet/ Zij bleven samen wonen
in volkomen harmonie, eenvoudig en altijd zichzelf .Als
er geen paarden waren te beslaan, maakte oom Piet 's
zomers een schommel vast aan de oude balken en
we schommelden en plukten de dagen in volkomen gelukzaligheid.
Toen we groter werden nam oom Piet die ook koster was
van de kerk ons wel eens mee naar boven op de trans van
de toren, vanwaar je na een moeizame klim over de meest
enge trappetjes een prachtig uitzicht had over de wijde
Beemster, de Schermer en de Purmer en je zag de Zuiderzee
glinsteren in het zonlicht. Hoe vredig was het allemaal,
hoe vriendelijk en hoe rustig en stil. Het geklopklop
van de paardenhoeven en het geratel van de wielen, de
hamer van een timmerman en niet het onzinnige gerace
van onze moderne tijd.
De stal wordt
drogisterij
Na
de dood van mijn grootvader in 1926 werd de oude stal
verbouwd tot een kleine winkel (drogisterij) met behuizing.
Mijn grootmoeder ging daar wonen,
samen
met haar jongste dochter Antje. Deze laatste behaalde
op latere leeftijd het diploma voor drogist om voor beiden
de kost te verdienen. Niemand, die toen oog had voor
de charme van deze oude ruimte met de mooie gele steentjes.
Hoe zou men ook, er was nog geen AOW. Zo bewoonden ze
dus met zijn vieren het smederijpand: een broer en twee
zussen Querner: Smid Piet zijn zus Ant en Gerritje (mijn
grootmoeder) met haar dochter Antje van Wijngaarde.
Het
vuur lichtte nooit meer op
Grootmoeder
overleed in 1931; oom Piet in 1939. Met zijn dood verloor
ook de smidse het leven. Het vuur werd gedoofd en lichtte
nooit meer op, zoals in die tijd toen oom Piet nog de
blaasbalg hanteerde. Er zijn geen hoefijzers meer, die
sissend in de koelbak gaan en in de travalje staat nooit
meer een paard. Na zijn dood kon Antje van Wijngaarde
het oude huis kopen van tante Ant, zodat zij altijd verzekerd
zou zijn van een dak boven haar hoofd. In 1944 stierf
Ant. Jacob Querner, een neef van Antje trok bij haar
in. Zo hadden ze gezelschap aan elkaar.
Bij haar
overlijden in 1946 schonk Antje haar neef het vruchtgebruik
van huis en inboedel: Jacob woonde daar tot zijn dood
in 1970.
Naschrift
Mijn
herinneringen wijken terug naar het heden. De weg voor
de verdeling van de erfenis van Daniel en Antje aan hun
kinderen kwam vrij bij het overlijden van Jacob Querner
in 1970. Het huis werd gekocht door de gemeente. Het
is de bedoeling dat de smidse in zijn oude glorie wordt
hersteld en met woonkamer en dependance wordt van het
museum Betje Wolff. Het is nu de beheerder die in de
smederij zijn dagen vult met het opknappen van het oude
gereedschap.
'Ja ik heb de stal heel goed gekend' zeg ik.
'Het is erg jammer dat deze werd verbouwd en waar zo
uden
de gele steentjes zijn gebleven?' We kijken elkaar een
beetje treurig aan, de beheerder en ik. Ik nog een beetje
treuriger dan hij, want het dringt plotseling tot me
door dat de tijd van de gele steentjes
meer dan vijftig jaar achter me ligt.
Oostkapelle 1975-1977.
Het huis
van de van Wijngaardes anno 2002--->
En ook dit verhaal uit 1977 is anno 2007 alweer achterhaald. Het smederijpandje is in 2005 helemaal gerestaureerd. De smederij is gehandhaafd en in het winkeltje is thans een bloemenzaak gevestigd.
Oude
foto's en ansichtkaarten ter beschikking gesteld door
Cor Roet