Startpagina
Beemster allerlei
Geschiedenis
Vogelvlucht
Ringdijkwandeling
Wandelroutes
Beemster in kaart
 

 

De Stal met de gele steentjes
Herinneringen aan hoe het vroeger was in Middenbeemster
Door Fokeline- Van Rijn Faber (1974) en haar dochter Annelies in (1999)
.

...En dan eindelijk waren we er! In vrieskou en harde Oostenwind, in stromende regen en stormvlagen of bij zomerse warmte en zonneschijn. Maar altijd gelukkig dat we er weer waren, ons koesterend in de warmte, tevredenheid en vrede van die wereld in Middenbeemster...

Inleiding

Op zekere dag in 1997 rinkelde in het informatiecentrum van VVV Beemster's Welvaart de telefoon. "Met Annelies van Rijn. Ik heb onlangs het boekje "Verstilde Mokerslagen' over de smederij van Middenbeemster gekregen en dat heb ik met veel interesse gelezen.. Ik ben namelijk een van de nazaten van de families Querner en Van Wijngaarde, die heel lang in de Beemster hebben gewoond. Ik zelf heb ook nog vage herinneringen aan het smidshuis in Middenbeemster en mijn moeder vertelde er vaak over. Is het misschien mogelijk het huis en de smederij van mijn betovergrootouders eens te bekijken? 

Dat kon geregeld worden en zo stond op een zonnige zondag in augustus Annelies uit Groningen, voor de deur van het eeuwenoude pandje, dat het aanzicht van Middenbeemster zo uniek maakt: de travalje met de smederij. Vanaf 1676 tot 1939 heeft hier onafgebroken een smid gewoond en gewerkt.

Bezoek van Annelies van Rijn aan het smederijpand in 1997 

De Stal met de gele steentjes
Op doorreis 
Het verhaal van Fokeline 1974:

De naam Middenbeemster heeft voor alle klein- en achterkleinkinderen, stammend uit het geslacht Querner een magische klank. Zo vormen voor mij en mijn zus Gerda het oude smidshuis en het even verderop gelegen huis van mijn grootouders vormden het middelpunt van de aarde.Als thans mijn Dafje zijn werk zoekt naar het Noorden van Noord-Holland, voert dit mij langs Middenbeemster. Ik stop bij 'het kruis', zoals de viersprong bij de kerk genoemd wordt. Ik parkeer bij de travalje, waar ik oom Piet menig paard heb zien beslaan. Ik stap uit en probeer door de ramen in de donkere smidse en de woonkamer te kijken..  

Al glurend kijk ik in het gezicht van een man. Hij staat op, komt naar buiten en vraagt mij vriendelijk of ik interesse heb voor de nieuweaanwinst van het museum. Ik vertel hem dat ik één van de erfgenamen was van dit huis en van de ontelbare malen, dat mijn kindervoeten via de smidse en de kamer door de stal weer naar buiten gingen,op weg naar het huis van mijn grootouders. "U hebt het huis gekend met de stal?", vraagt de beheerder. Ja, dat heb ik! .. De stal herleeft in mijn gedachten: de gele steentjes en de grote deuren, waardoor een wagen kon. Maar ook herinner ik me het kippenvel en de genotvolle griezelgevoelens als de storm buiten loeide en het kleine petroleumlampje deed flikkeren. Slechts de naaste omgeving met het daarin aanwezig zijnde 'stilletje' werd verlicht. Het overgrote deel van de stal hulde zich echter in een geheimzinnig duister. Groteske schaduwen speelden langs de hoge muren en maakten dat je er met kloppend hart snel doorheen liep of steviger de hand van je begeleidster vastpakte. Dit smidshuis is onverbrekelijk verbonden aan mijn jeugd.

Herinneringen aan alles wat liefdevol en goed was in Middenbeemster

Het huis van mijn grootouders aan de Middenweg was een vriendelijk langgerekt huis met een sloot voorlangs. Zomers weerspiegelden zich daarin de uitbundige kleuren van de Oost-Indische kers. Een brede brug ging over in een breed pad langs het huis. De zijkant van het huis was begroeid met klimop en aan de slootkant was een kleine steiger voor het schuren van pannen en emmers. Voor het huis stond naast de kamer, die 's zomers bewoond werd, een witte bank, vanwaar men over een grote bloembak van boomschors, gevuld met margrieten, rode en roze geraniums, lobelia en petunia op de weg uitzag. Tante Vrouwkje logeerde vaak bij grootmoeder als wij er waren. Ze zat altijd op die bank boontjes af te halen, aardappels te schillen of bessen te ritsen en dan maar praten, praten. Ze had veel verdriet gehad en was altijd in het zwart gekleed. 

Achter het huis was de moestuin met bessenstruiken en oude dirkjes-peren, een vroege peer, die niet meer bestaat. Naast het bleekveldje was de 'plee' aan een sloot, die het erf scheidde van het weiland van boer Oly. Als we 's winters naar de plee moesten en de stormwind door de hoge bomen en struiken loeide, was de zeven meter, die de plee van het huis scheidde een afstand, die met kloppend hart en haast rennend werd afgelegd. Met grootmoeders wollen zwarte omslagdoek omgeslagen, zat je daar met je billen bloot boven het gat, waar de koude wind ijzig doorheen joeg. Je slaakte dan ook een zucht van verlichting als het karwei geklaard was en je weer veilig binnen was. 's Zomers verbeeldde ik me, dat ik er zou kunnen wonen. Met de deksel op het gat, links aan de wand een kastje, rechts een piepklein petroleumstelletje, een kussentje en een deken. en ik had mijn eigen villa. Toen ik wat groter werd, kon ik in de zomeravond op dit plekje staan dromen. De koeien in het weiland, hun poten gedompeld in de avondnevel, waren niet zo dromerig als ik, in een stilte die door niets verstoord werd dan soms een late vogel.

Bij de achterdeur stond een halfronde houten wand als bescherming tegen de koude Noordoostenwind. Dan kwam je in een klein gangetje opzij, waar de keuken aan vastzat. Daar was het altijd lekker warm, want grootmoeder kookte op drie- en vierpits petroleumstellen. Daar stond ook een filter om het regenwater te zuiveren, zodat je het zonder gevaar kon drinken. Tot grootmoeder in 1926 het huis verliet, was er geen waterleiding en ze heeft altijd op petroleum gekookt.

De trap naar boven stond ook in het keukentje en kon helemaal tegen de muur geschoven worden. Langs het trapgat liep een smalle richter tot aan de deur van het kamertje waar wij sliepen. Dat richeltje was een van de opwindende zaken bij een logeerpartij, want als je misstapte, kon je zo op de keukenvloer vallen. Toen we klein waren ging het luik er over zodra we in bed lagen. Het kamertje had twee lage bedsteden met hagelwitte valletjes en gordijnen. De vogels, die in de klimop nestelden, zongen ons 's zomers wakker. In het kamertje er naast werd in een diepe kast het speelgoed van mijn moeder en haar broers en jongere zusters zorgvuldig bewaard. Er was natuurlijk een pop met een wiegje en de beeldigste serviesjes, een eet- en een theeserviesje. Er was een schooltje met een meester en leerlingen, vragen en antwoorden, een poppenhuis en de complete Ankersteenbouwdozen.  

Cultuur en ontspanning.

Mijn grootvader was een bijzonder mens, huisschilder van beroep. Daarnaast was hij ook regisseur van de plaatselijke toneelvereniging. Tante Annie speelde altijd de vrouwelijk hoofdrol; grootvader die van de strenge, onbuigzame, of de door het noodlot getroffene en mijn ooms Daan en Hero verzorgden de coulissen: Eén van hen was souffleur, De stukken, die grootvader regisseerde, hadden allen een sterk sociale tendens, o.a. het streven naar staatspensioen. Het zou echter nog jaren duren voordat dit gerealiseerd werd. Hij mocht dat zelf niet meer meemaken. Grootvader zat ook in het bestuur van de Vereniging tot Nut van 't Algemeen en hij was het die de boeken over Merijntje Gijzen van A.M.de Jong bij de leeslustige Beemsterlingen introduceerde. In de winterwoonkamer waren twee bedsteden, de ene werd door mijn grootouders gebruikt; van de andere was een kantoortje gemaakt. Een groot bureau nam de hele breedte in beslag en verder stond er een stoel en nog een kastje voor de zakenboeken. Boven het bureau en het kastje hingen boekenplanken, volgepropt met jaargangen van De Gids en De Nieuwe Gids. De Stem, de werken van Ibsen en veel stukken voor amateurtoneel.  

Als de donkere winterdagen de mensen dwong tot ophouden met waar ze mee bezig waren, werd er geschemerd. Het enige  licht in de kamer kwam van het vuur in de kachel en van het theelichtje, dat door de geperforeerde zijkantjes lichtkringetjes op het beschot wierp. Grootmoeder zat dan een beetje te dutten in haar eigen stoel. Wij, die bij het laatste sprankje daglicht nog trachtte de nodige bladzijden te verslinden, moesten het uiteindelijk opgeven en onze ziel in lijdzaamheid bezitten, totdat grootmoeder het tijd vond om de lamp aan te steken. Dat was tot na de eerste wereldoorlog nog petroleum, Gas is er nooit voor verlichting geweest. Na de petroleum kwam de elektriciteit. We leerden al vroeg allerlei kaartspelletjes en oom Hero maakte van oude speelkaarten huizen met dubbeldikke wanden, die je voor muren, daken en vloeren kon gebruiken. Daartussen kon je dan de enkele kaarten (waar ramen, deuren en hekjes waren uitgesneden) schuiven. Hoe jammer, dat je geen idee had hoe uniek dit allemaal was.  

Beemster kermis 

e Beemster kermis viel altijd in de laatste week van juli en dus in onze grote vakantie Dat was ieder jaar weer een geweldige belevenis. 's Maandags werd de zaak opgebouwd, de kramen op het kleine landje, de schommels, zweefmolen enzovoort op het grote landje. Dinsdag was er koeienmarkt en werden we 's morgens vroeg al wakker van het geloei; woensdag was er paardenmarkt en was het al gehinnik wat we hoorden. Maar donderdag was de grote dag: iedereen had vrij en wij mochten onze mooiste jurk aan.

Het feest begon 's morgens om een uur of tien met het ringsteken in sjezen. De rijke boerenzoons kwamen aanrijden met hun meisjes, in vol ornaat. De meisjes, gesierd met goud en juwelen; niet altijd smaakvol maar wel een enorme welstand tentoonspreidend, in de prachtige eveneens rijk versierde sjezen, de jongens met de lans in de hand. De paarden schitterend opgetuigd en geroskamd, zodat ze glansden als satijn, En dat alles kwam langs grootvaders huis, Het lijkt wel of die dagen altijd de zon scheen, maar het zal toch ook wel eens geregend hebben. Na het ringsteken werd er eerst gegeten en dan begon de kermis.

Voor de smidse werden banken, stoelen en tafels gezet en de hele familie kwam daar bijeen. Oom Piet op zijn zondags en tante Ant, die iedereen laafde met thee, koffie of limonade. Mijn grootouders, soms mijn vader en moeder, Oom Hero en tante Klaartje, oom Daan en tante Nel, oom Jan en tante Pietje, die aan de Beets woonden, waar oom Jan machinist was aan het gemaal. Tante Pietje, die niet fietste, liep dan drie en een half kruis (een kruis is 1.8 km) naar de Beemster, tenzij een vriendelijke boer, die ook kermiswaarts ging, haar oppikte en meenam in zijn rijtuig. Bussen waren een onbekend begrip. Had je geen vervoer, dan liep je, zo simpel was dat.

Wij kinderen kregen van de grote mensen een 'kermiscent' van de één een dubbeltje, van de ander een kwartje en o, rijk! Soms een gulden. Toen ik zo'n jaar of vier vijf was, was ik gek op de hobbelende geit, een soort oude koets op vier ongelijke poten, zodat je op de meest afgrijselijk manier heen en weer hobbelde. Ik zat er uren in en moest er met geweld en brullend uitgesleurd worden. Dit alles tot groot misnoegen van de eigenaar, die aan mij zijn beste klant verloor.

Vrijdag was weer een rustige dag en op zaterdag waren er draverijen op de Rijperweg. Dat was de grootste hartsticht van oom Piet, die er niet weg viel te slaan tot na de laatste rit. Op maandag waren al vrij vroeg alle kermissporen verdwenen en hervond het dagelijks leven zijn ritme. 

De familie van Wijngaarde

Het gezin waarin mijn grootvader Hero werd geboren telde 7 kinderen, die allemaal volwassen werden. En zo waren er ook een massa neven en nichten. Aagjes, Aaltjes, Jantjes Bieders en Heros. Aagje was ook zo'n volle nicht van mijn grootvader. Ze was vrolijk, goedhartig, gul en goedlachs, maar deed haar naam eer aan. Ze wist altijd alles van en over iedereen. Niets en niemand was veilig voor haar nieuwsgierigheid en haar scherpe tong. Haar man. Piet Stuffers, was een echte goeierd en zijn broodjes waren de lekkerste van Zuid-, Midden- en Noordbeemster: met echte boerenboter, het summum van genot! Toen hun zoon de bakkerij overnam gingen Piet en Aafje Stuffers wonen in een aardig huis, een villaatje met een torentje aan het dak aan het einde van de bebouwde kom aan de Middenweg. Wij kwamen er dolgraag en hadden lang niet altijd door, dat ze ons uithoorde over het reilen en zeilen bij grootvader thuis.

Kerstvakantie in Middenbeemster

Ik zal een haar of vijf zijn geweest toen zus Gerda en ik onder de hoe van Ida, een struise en deugdzame Friezen die toentertijd als dienstmeisje bij ons in huis was, de reis aanvaardde op 24 december. Het was er koud, sneeuw en hagelbuien wisselden elkaar af. Eerst gingen we met de trein van Bussum naar Amsterdam, dan moest je van het Centraal Station oversteken naar het Noordhollandsch Koffiehuis, waarvandaan het bootje vertrok dat ons over het IJ naar het station van de Tramwegmaatschappij bracht. Door de vakantiedrukte en het erbarmelijk weer kwam de trein echter te laat aan en toen Ida met ons en de koffer bij de steiger kwam, was het bootje al los van de wal. Maar geen nood! Hulpvaardige handen tilden ons kindneren over de railing en Ida, bepaald geen lichtgewicht en een beetje preuts, volgde op dezelfde manier en natuurlijk onder veel gelach van de stoere redders.

Een treetje of zes naar beneden en je kwam dan in een kleine kajuit, een tafel in het midden met rood leer beklede banken aan de kant en een klein petroleum; lampje in een hoek. Er ging altijd een wat muffe rokerig en naar natte kleren en mensen ruikende lucht, maar; s winters had het ook wel iets gezelligs en was te verkiezen boven het ijskoude dak. 's Zomers zat je op de lange banken naast de reling en als de boot de sinister ogende doorvaart onder de lage bruggen naderde, riep de conducteur "Hoofe"en iedereen bukte. Een klap van de brug tegen je hoofd zou zeen zeer onaangename ervaring geweest zijn. Wij kinderen bukten braaf mee, als de dood zo bang.

Na een kwartiertje varen waren we aan de overkant van het IJ. Daar stond de tram van de Noord-Hollandsche Tramwegmaatschappij, die driemaal per dag het traject van Amsterdam naar Alkmaar reed. De tram had een stoere vierkante locomotief, een goederenwagon en twee personenwagens, waarvan in de voorste een klein eerste klas compartiment, heel chique met rode pluche. De tweede klas had twee banken aan de lange zij tegenover elkaar, zonder pluche en hard, maar de billen van het gewone volk moesten daar maar tegen kunnen. Het geheel werd; s winters verlicht door petroleumlampjes, die in twee hoeken, schuin tegenover elkaar, hun best deden de reizigers met hun schijnsel wat op te monteren. Lezen was onmogelijk en voor de warmte moest je zelf zorgen, dus hoe meer zielen hoe meer warmte.  

Tijdens de rit passeerden we de dorpen langs het Noord-Hollands Kanaal, Nieuwendam, Buiksloot, Zonderdorp, Schouw, Watergang, Ilpendam. De tram ging over enkel spoor. Op bepaalde plaatsen een wissel, o.a. in Zunderdorp, waar de vissersvrouwen van Volendam en Edam overstapten op de andere lijn. De struise boerinnen uit de Beemster waren duidelijk herkenbaar, tweemaal zo breed als een gewoon mens en zeer zelfbewust, soms een tikkeltje neerbuigend in de wetenschap van hun goedgevulde beurzen. Belangrijkheid en status.

In de vroeg donkere wintermiddag was er buiten niet veel te zien en zo sukkelden we, hangerig en verveeld, verder tot Purmerend. Dan leefden we weer op want het einddoel naderde. Je werd weer wakker van het geschreeuw, het laden en lossen, hoewel je er soms nog wel eens op de tram van de andere kant moest wachten. Maar eindelijk gleden we dan toch de polder in met zijn rechte wegen en vierkante scherpe hoeken. Als het vroor probeerden we, zitten op onze knieën met onze adem kijkgaatjes in de bevroren ruiten te maken.  De boerderijen lagen diep in het land met hier en daar een  pinkelend lichtje aan huis of stal. Op het laatste kruis voor Middenbeemster was nog een wissel en ook daar was het nog wel eens tien minuten wachten, maar soms ook stond de andere tram er al. Tot Middenbeemster deed de tram er wel twee uur over.  

Eindelijk in Middenbeemster

Eindelijk naderden we dan Middenbeemster. Vanaf de kerk reed de tram luid bellend en stapvoets. De conducteur met rode vlag vooroplopend, over het kruis. Dat was het sein voor grootvader om de warmte van het smidshuis te verlaten en ons op de wachten bij café Tramzicht dat dienst deed als station. Als we na de lange reis van Bussum naar de Beemster koud en moe aankwamen, voelden we ons van de ene minuut op de andere omsloten door een gevoel van warmte en veiligheid, zodra we de altijd enigszins geheimzinnige halfdonkere smidse binnen kwamen. Op het gerucht ging de binnendeur van de kamer open en in het heldere licht van de lamp stond daar tante Ant en zei Wel, wel daar hewe de kinders van Aag. Dan kregen de kinders van Aag een beetje prikkerige zoen, werden bekeken en iedere vakantie groter en flinker bevonden en voelden zich omringd door een onverklaarbaar gevoel van welbehagen, waar nooit een einde aan zou kunnen komen. 

Gelukzaligheid

Hoe goed waren ze, tante Ant en Oom Piet, Tante Ant, die haar persoonlijk geluk opgaf en haar minnaar heenzond om voor moeder en de broers te zorgen. De broers trouwden natuurlijk, behalve oom Piet/ Zij bleven samen wonen in volkomen harmonie, eenvoudig en altijd zichzelf .Als er geen paarden waren te beslaan, maakte oom Piet 's zomers een  schommel vast aan de oude balken en we schommelden en plukten de dagen in volkomen gelukzaligheid. Toen we groter werden nam oom Piet die ook koster was van de kerk ons wel eens mee naar boven op de trans van de toren, vanwaar je na een moeizame klim over de meest enge trappetjes een prachtig uitzicht had over de wijde Beemster, de Schermer en de Purmer en je zag de Zuiderzee glinsteren in het zonlicht. Hoe vredig was het allemaal, hoe vriendelijk en hoe rustig en stil. Het geklopklop van de paardenhoeven en het geratel van de wielen, de hamer van een timmerman en niet het onzinnige gerace van onze moderne tijd.  

De stal wordt drogisterij

Na de dood van mijn grootvader in 1926 werd de oude stal verbouwd tot een kleine winkel (drogisterij) met behuizing. Mijn grootmoeder ging daar wonen, samen met haar jongste dochter Antje. Deze laatste behaalde op latere leeftijd het diploma voor drogist om voor beiden de kost te verdienen. Niemand, die toen oog had voor de charme van deze oude ruimte met de mooie gele steentjes. Hoe zou men ook, er was nog geen AOW. Zo bewoonden ze dus met zijn vieren het smederijpand: een broer en twee zussen Querner: Smid Piet zijn zus Ant en Gerritje (mijn grootmoeder) met haar dochter Antje van Wijngaarde. 

Het vuur lichtte nooit meer op

Grootmoeder overleed in 1931; oom Piet in 1939. Met zijn dood verloor ook de smidse het leven. Het vuur werd gedoofd en lichtte nooit meer op, zoals in die tijd toen oom Piet nog de blaasbalg hanteerde. Er zijn geen hoefijzers meer, die sissend in de koelbak gaan en in de travalje staat nooit meer een paard. Na zijn dood kon Antje van Wijngaarde het oude huis kopen van tante Ant, zodat zij altijd verzekerd zou zijn van een dak boven haar hoofd. In 1944 stierf Ant. Jacob Querner, een neef van Antje trok bij haar in. Zo hadden ze gezelschap aan elkaar. Bij haar overlijden in 1946 schonk Antje haar neef het vruchtgebruik van huis en inboedel: Jacob woonde daar tot zijn dood in 1970.  

Naschrift  
Mijn herinneringen wijken terug naar het heden. De weg voor de verdeling van de erfenis van Daniel en Antje aan hun kinderen kwam vrij bij het overlijden van Jacob Querner in 1970. Het huis werd gekocht door de gemeente. Het is de bedoeling dat de smidse in zijn oude glorie wordt hersteld en met woonkamer en dependance wordt van het museum Betje Wolff. Het is nu de beheerder die in de smederij zijn dagen vult met het opknappen van het oude gereedschap. 

'Ja ik heb de stal heel goed gekend' zeg ik. 'Het is erg jammer dat deze werd verbouwd en waar zouden de gele steentjes zijn gebleven?' We kijken elkaar een beetje treurig aan, de beheerder en ik. Ik nog een beetje treuriger dan hij, want het dringt plotseling tot me door dat de tijd van de gele steentjes meer dan vijftig jaar achter me ligt.   

Oostkapelle 1975-1977. 

Het huis van de van Wijngaardes anno 2002--->

En ook dit verhaal uit 1977 is anno 2007 alweer achterhaald. Het smederijpandje is in 2005 helemaal gerestaureerd. De smederij is gehandhaafd en in het winkeltje is thans een bloemenzaak gevestigd.

Oude foto's en ansichtkaarten ter beschikking gesteld door Cor Roet