Jan Adriaenszn Leeghwater
|
Den Molen staet wel stil, So lang als't niet en waeyt
Maer als den wint verheft so wert het Rat gedraeyt
Dan morlelt hij altgeen, Daer in-is En omtrent
So ist oock tusschen Godt en Mens die hem niet kent
Godts gramschap toeft een wijl het schijnt oft Godt vergeet
Hij straft vermaelt het quaet Aleer een Sondaer 't weet
À dieu seul honneur et gloire
Lof prijs eer en Danckbaerheyt
Sy Godt den Vader inder eeuwicheit. '
Jan
Adriaansz. werd in 1575 in de Rijp geboren. Zijn vader, Adriaan
Symonsz. was daar timmerman. Zijn grootvader, Symon Rutz.
was brouwer en gehuwd met Griet Martens (1514-1604). Zijn
vrouw kwam van Groot-Schermer. Ze kregen drie zoons: Symon,
Adriaan en Jan. De
naam Leeghwater of Leegwater heeft hij pas later aangenomen
in verband met een octrooi dat hem in 1605 werd verleend.
Leeghwater
bleef tot op hoge leeftijd helder van geest. Zo schreef hij
zijn Haarlemmermeerboek toen hij 69 was en op 74-jarige leeftijd
wist hij ook nog heel goed 'met de pen om te gaan'.'Hij overleed
in 1650.
Tekst onder
de foto:
" Dit
is Leeghwaters Beeldt,
Aenschouwers, siet vrij toe,
Zijn geest, die altijt werckt
en nimmer meer wort moé;
Aen 't geen zijn Vaderlandt
tot welstant kan verstrecken,
Zich in zijn Meerboek
zal ten deel aen u ontdecken:
Wat d' ander rest belangt,
die spreyt zich wyt en breet,
In vat, in zijn vernuft,
wat yemand wist off weet".
Nalatenschap
Van Leeghwater zijn enkele tekeningen en voorwerpen
bewaard gebleven: .
. een in 1638 vervaardigde pentekening, van een drijvende kan met opschrift: " Een
Can die veel te-water gaet, Int eynd noch wel aen stucken slaet".
. een lange stok met spitse metalen punt
. een fraai gesneden messenschede;
. een koperen Alidade (liniaaltje met vizieren) van een werktuig om hoeken te
meten, met het jaartal 1619;
. Tot 1838 waren een oorspronkelijke Octrooi uit 1605 en een verguld-zilveren
gedenkpenning, geslagen op de overwinningen van Frederik Hendrik nog in het bezit
van zijn afstammelingen maar deze zijn helaas verloren geraakt. (zie
ook: kopie verdwenen octrooi Leeghwater opgedoken)
. Het Waterschap de Beemster bezit nog de originele pentekening van een watermolen.
Op deze tekening staat geschreven
Conterfeytinghe
van Beemster-Molens alhier ghestelt op de cleyne voet-maet"
Gedenkboek
in 1912
Ter gelegenheid van het 300 jaar bestaan van de Beemster in 1912 werd
door Jac.Krol een Gedenkboek uitgegeven. Een van de hoofdstukken was
gewijd aan de legendarische Jan Adriaansz Leeghwater.
Nu de Beemster binnen enkele jaren (2012) zijn 400 jarig bestaan herdenkt,
wordt hier aan de hand van het gedenkboek aan deze beroemde streekgenoot
opnieuw aandacht gegeven.
Taalgebruik
Het taalgebruik in Nederland is in de afgelopen eeuw nogal aan verandering
onderhevig geweest. We zijn immers niet meer zo breedsprakig als
toen. Vandaar, dat de tekst beknopt en in hedendaags taalgebruik
wordt weergegeven. Alleen citaten en uitspraken van Leeghwater, die
op zich zeer beeldend zijn, werden in de originele vorm overgenomen.
"Ik
heb in mijn tijdt gemaakt.."
Al waren tal van uitstekende landmeters en tekenaars betrokken bij de
bedijking van de Beemster, toch is niemand zo bekend geworden als Leeghwater.
Zijn roem, vooral in verband met de droogmaking van de Beemster, heeft
er toe bijgedragen dat hij tot ver buiten de grenzen bekendheid genoot.
In zijn tijd stond Jan Adriaanszn al bekend als "een singuliere
persoonlijkheid, bedreven in tal van consten en waterschappen".
Zelf verhaalt hij van de handwerken:
| "Ik
heb in mijn tijdt gemaakt verscheiden soorten van
molens, ook huizen en sluizen en verscheidene notabele
stukken van kassen en schrijnwerken, alsmede veel
verscheiden uurwerken in dorpen en steden; ook mede
twee groote notabele speelwerken te Amsterdam, staande
op den Wester- en Zuiderkerkstoren. Ik heb ook mede
gemetseld aan 't nieuwe stadhuis te Amsterdam (thans
Koninklijk Paleis) en mede aan de toren van de Nieuwe
Kerk, alsmede aan de brug bij Jan Roodepoortstoren.
Behalve dien heb ik nog verscheiden notabele handwerken
gedaan in hout en steen, in koper, in ivoor en metaal,
hetwelk te lang zou wezen, om alles te verhalen". |
Leeghwater
noemde zich molenmaker en ingenieur van de Rijp, maar hij
had zoveel kennis van zaken, dat hij terecht de titel "duizend-kunstenaar" verdiende.
Hij werd aangesteld als molenmaker en opzichter van de molenwerven.
Zijn vindingrijke geest wist grote verbeteringen aan te brengen
bij het zetten en stellen van de watermolens. Hem werd dan
ook het oppertoezicht opgedragen. Hij werd zelfs zo gewaardeerd,
dat de Hoofdingelanden/bedijkers hem in 1607 een extra beloning
toezegden.
Zie
bovenstaand gedicht
Dirck
van Oss
Naast
de naam van Leeghwater is die van Dirck Van Oss als
initiator van de droogmaking van de Beemster in de
geschiedenis voort blijven leven. Op verzoek van
deze Van Oss en de Hoofdingelanden, maakte hij aantekeningen,
verrichtte peilingen en berekende aan de hand daarvan
de capaciteit van de molens. Toen, in verband met
de omslag over de Bovenpolder, Middenpolder en Arenbergsche
polder de molens moesten worden getaxeerd, werd ook
dit aan Leeghwater opgedragen. 
Bij het droogmaken van onder meer de Purmer, de Wormer en de Schermer
en van andere meren en moerassen werd hij aanbevolen.
Successen
Legendarisch is het verhaal dat Leeghwater ter gelegenheid van het bezoek
van de prinsen Maurits en Frederik Hendrik aan de net drooggevallen
Beemster aan tafel mocht bedienen. In die tijd gold dat als een hele
eer en zeker voor een Doopsgezinde, die niet tot de Staatskerk behoorde.
Bij de belegering van 's Hertogenbosch in 1629 werd hij ontboden
bij de legeraanvoerder prins Frederik Hendrik. Hij schrijft daarover
het volgende:
"het
water uit het leger te malen en de watermolens bij
Engelen weder gangbaar te maken, hetwelk ik met Gods
hulp gedaan heb".
Zijn activiteiten in de oorlogvoering vormden een belangrijke bijdrage
aan het succes van Frederik Hendrik. Het maakte zeker deel uit van
een ideeën voor de krijgskunde. Frederik Hendrik verwierf er
de titel 'De Stedendwinger' mee.
Europese vermaardheid als waterbouwkundige
De naam Leeghwater met betrekking tot waterbouwkundige projecten
kreeg zo'n bekende klank dat hij in 1628 door de Hertog van Epernon
te Bordeaux (Frankrijk) werd ontboden, om hem te adviseren bij het
droogmaken van een moeras in de buurt van deze stad. Ook Aartshertog
Albertus, te Brussel riep zijn hulp in om te helpen bij het droogmaken
van moerassen in Vlaanderen.
In 1630 verbleef hij zes weken in de buurt van Metz als adviseur
en in 1626 was hij in Holsteyn waar hij hielp bij:
"het fabrijken en te ordineren om moerassen en meren te helpen droogmaken, door
het ordineren van dijken, dammen, sluizen, kaaien, heulen, molens, molentochten,
kolken, wateringen en andere affairen, al te zamen dienende tot zoodanige werken,
gelijk in Holland bij vele lieden wel bekend is".
Schrijver
Ook als schrijver heeft Leeghwater naam gemaakt; niet om de letterkundige
waarde van zijn geschriften, maar meer om de inhoud, waaruit een
groot bouwkundig inzicht sprak. Hoewel uit zijn schrijfstijl blijkt,
dat hij van eenvoudige afkomst was, bleek hij ook in staat zich uit
te drukken in het Frans, Duits en Latijn.
Hij schreef onder meer de volgende boeken
1. Korte beschryving en klein Chronykje van Haarlem;
2. Een kleyn cronykje en voorbereiding van de afkomst en het vergroten
van de dorpen Graft en de Rijp en van meer verscheiden notabele oude
stukken en geschiedenissen.
Hierin wordt ons iets over de Beemster verteld, maar ook van zijn reizen
en ondernemingen, waarbij hij opmerkingen maakte over tal van bijzonderheden
van de door hem bezochte plaatsen.
3. Haarlemmermeerboek
Hoe
men de Haarlemmer- en Leidsche meer bedijken en droogmaken
zal; als ook van de dieptens, gronden, en nuttigheid
derzelven. Mitsgaders: van meest alle de Meeren die
in Noord-Holland tegen den Huigendijk en Saardam
bedijkt en tot Land gemaakt zijn, sedert het jaar
1608 tot het jaar 1641."
Het schijnt, dat hij dit werkje in 1641 heeft aangeboden aan de
Staten van Holland, aan Frederik Hendrik aan de Burgemeesters en
Raden van Amsterdam, Leiden, Haarlem en Gouda en aan den Dijkgraaf
en de Heemraden van Rijnland. In 1642 was een derde druk nodig
en binnen een eeuw verscheen de tiende druk.

Haarlemmermeerboek
Dat
men het niet altijd eens was met de plannen van Leeghwater,
blijkt wel uit bezwaren die daar tegen werden aan- getekend
. Dat stoorde Leeghwater blijkbaar hevig, want in de vierde
druk van het Haarlemmermeerboek noemt Leeghwater een tegenstander
zelfs een warhoofd.
Leeghwater was de eerste, die beschreef hoe de Haarlemmermeer kon worden
droog gemalen. Zijn Haarlemmermeerboek werd vaak geraadpleegd, maar pas
in 1851 werd de Haarlemmermeer met behulp van stoomgemalen drooggelegd.
Als eerbetoon werd een van de stoomgemalen naar hem genoemd.
Onderwatertruc
Een bereisd man mag hij zeker genoemd worden. Tot op 74-jarige leeftijd
doorkruiste hij heel Europa.
Leeghwater bleek ook in staat om onder water allerlei kunstjes uit te
halen. Met Pieter Pietersz, leraar bij de Doopsgezinden, gaf hij bij
Den Haag, in tegenwoordigheid van Prins Maurits, Frederik Hendrik en
vele edelen een welgeslaagde proef. Dit werd in de Kleine Kronijk als
volgt genoteerd:
In
't jaar 1605, in 't laatste van April, zoo is daar
een Wynkooper tot Alkmaar geweest, genaamt Dir
Thomasz., die met de Prince Mauritius zeer familiaar
was, en verscheiden redenen met den Prince hadde,
waarvan hij mede verhaalde, dat in Noord-Holland
in de Rijp twee of drie jongelingen waren, die
onder het water konden gaan, waarvan den Prince
zeer begeerig was om 't zelve te zien; waarop den
Wynkooper tot antwoord gaf: Ik zal de luiden verschrijven,
dat zij bij zijne Vorstelijke Genade in den Hage
zullen komen."
2. Ende alzoo door het schrijven zijn wij na den Hage gereist en
zijn aldaar bij den Prince gekomen, die ons zeer vriendelijk groette
en ons vraagde, of wij de luiden waren, die onder 't water konden
gaan? waarop wij antwoordden: Ja, mijn Genadigen Heer"; waarop
de Prince wederom zeide : "Hoe zoude men dat konnen weten,
of men zoude dat moeten zien" ; waarop wij wederom antwoordden
en zeiden : "Zoo het mijn Heer morgen belieft te zien, wij
willen het alhier morgen in den Vijver wel doen"; waarop de
Prince wederom zeide : "dat hij dat in den Vijver niet en
begeerde; daar zouden wel duizent menschen bij komen; dat en zoude
niet dienen."
3.
Doen heeft de Prince een Valkenier bij hem ontboden,
genaamt Henderik Evertszn., die met ons zoude
gaan buiten den Hage, om een water te zoeken,
daar 't bequaam was om de konst te doen, 't welke
wij alzo gedaan hadden, welke water is een weinig
buiten den Hage aan de linkerhand, in een Molentocht,
als men naar Delft vaart.
4.
Den eersten dach doen was't een storm ende heel
kout weder, zo dat wij den Prince doen niet en
spraken, maar den tweeden dach daaraan heeft den
Prince ons een zeker uure gestelt als den maaltijt
gedaan was na den middag, dat wij dan op de plaatze
gereet zouden staan. waarbij dat de Prince ook
tegen ons zeide: "Mannen, ik heb gisteren wel om
u gedocht, ik en zonde niet gaarne hebben, dat
gij een ziekte zoude halen om mijnent wille."
5. Alzo den tijt bestemt was, zoo zijn wij op de plaatze gegaan,
ende gereet gestaan; doen is den Prince Mauritius, met zijn broeder
Prins Henderik, met Graaf Willem van Vrieslant, met Graaf Ernst,
ende meer andere groote Heeren en Edelluiden met de koetzen bij
ons gekomen en daar alzo gelijk bij ons staande, doen zeide den
Prince Mauritius: "Mannen, ik ben nu gereet, om te zien";
waarop ik Jan Adriaansz. Leeghwater met een goede couragie in 't
water gesprongen ben, en zeide: »Adieu, mijn vroome Heeren";
ende ik was daar zo lange onder het water, dat den Prince Mauritius
met d' andere Heeren wel vernoegt waren, en doen ik weder boven
't water quam, doen vraagde mij den Prince Mauritius: "Wat
was dat geluit, dat ik hoorde?" waarop ik zeide: "Ik
heb luide geroepen; heeft mijn Heer dat ook verstaan? Waarop de
Prince zeide: "Ik meende, dat het het brullen van een koe
was."
6. Daarna is Pieter Pieterz. een van onze medemakkers, in 't water
gesprongen een stuk weegs verscheiden, dewelke alzo lang onder
het water was als ik, waarover Pieter Pietsz. met zijn vingeren
een weinig boven 't water speelde; doen zeide Graaf Willem van
Vrieslant: »Den kerel werd verzoepen; bij en kan hem niet
langer holden."
7.
Ende alzo Pieter Pietersz. mede op 't land komende,
wij beide nog fris ende wel waren, zoo heeft den
Prince Mauritius tegen ons gezeit: »Mannen,
ik zie dat de konste goet is; gaat niet uit den
Hage aleer ik u gesproken heb en gaat in een goede
herberge en maakt goede cier," hetwelk wij
alzo gedaan hebben, ende daarna zijn wij weder
bij den Prince gekomen op het Hof, daar hij ons
een vereeringe gegeven heeft, ende ook mede Octroy
van onze konste, hetwelk ik nog tot dezen dag bewaart
heb." |
Octrooi
Het jaar daarop werd in Amsterdam, in tegenwoordigheid o. a. van Dirck
van Oss de proef herhaald. Leeghwater bleef daarbij drie kwartier onder
water, bespeelde de schalmei, zong psalmen, schreef op een papier en
verrichtte meer verbazingwekkende dingen. Leeghwater en zijn mede-uitvinders
hebben dus op deze wonderbaarlijke uitvinding een octrooi gekregen en
dat is volgens de gegevens verleend op 5 mei 1605 door de Staten-Generaal.
Het octrooi gold voor tien jaar. Op namaak stond de straf van twee honderd
gulden. en de tekst luidde onder meer:
De
Staten-Generaal der Vereenichde Nederlanden,
Allen
den ghenen die desen jegenwoordige sullen sien of te
hooren lesen, saluyt. Doen te weeten, dat wij ontfangen
hebben de supplicatie, aen ons gepresenteert bij Pieter
Pietersz., Jan Adriaansz. ende Willem Pietersz, allewoonende
in de Rype, inhoudende hoe dat sy supplianten geïnventeertende
bij Zijne Princelycke Excellentie geprobeert hebben,
seker waterconste,soo om onder 't water te gaen, staen,
sitten, liggen, eeten ende drincken,lesen ende scrijven,
singen ende spreken, voorts om eenige bruggen ende sluysen
te repareren, cabels onder schepen die gesoncken zijn,
vast te maken, om die uyten gront te winden, item om
peerlen ende andere costelycke goederen op ten gront
te soucken, mitsgaders om eenige missiven ofte brieven
heymelyck onder 't water te dragen ende brengen, boven
dien zyn Asem bequamelyck te mogen halen, 't zij oft
het diep is een, twee, vijff, ses offe meer vademen,
verzoeckende ende biddende oitmoedelyck (nademael zij
beducht zyn, dat men haerlieder inventie sonde namaecken),
dat Wy hen souden willen verleenen onse openen brieven
van Octroy, om de voorsz. heure Inventie voor eenige
jaren alleene in de Vereenichde Provincien te mogen maken,
met verboth van deselve na te maken, in geenerlye wyse,
int geheel ofte ten deele, bij verbeurte van sulcke nagemaecte
Inventie, ende daerenboven van seekere groote Penen,
bij ons daertoe te ordonneren. |
Duikerklok?
Vreemd genoeg werd later nooit gebruik van dit octrooi gemaakt. Wellicht
dat de uitvinders het geheim in het graf hebben meegenomen. Het is
in ieder geval onbekend gebleven hoe ze dit huzarenstukje hebben
uitgevoerd. Uit het verhaal van Leeghwater zou men kunnen opmaken,
dat hij en zijn makkers geen toestel bij zich hadden. Vermoed wordt
echter, dat in het geheim een duikerklok werd geplaatst. De vraag
blijft hoe Pieter Pietersz. 'met zijn vingeren een weinig boven 't
water kon spelen? En hoe zijn ze er onder water in gekropen?' Mogelijk
kan de uitvinding van een duikerklok door Cornelis Drebbel (1621)
er ook iets mee te maken hebben.
Het
bovenstaande bewijst in elk geval 's mans veelzijdige ontwikkeling,
en onder zijn portret, naar een teekening van J. de Keijzer en
gegraveerd door J. Lamsveld, staat onderstaand rijmpje van J. J.
Schipper, waarvan inhoud ook wijst op het bedreven zijn in velerlei
dingen.
Op het veld van eer heeft hij geen roem verworven, in de Raadzaal heeft
zijn stem niet weerklonken, vandaar dat hij minder algemeen bekend is,
dan hij verdient. Maar in het lage polderland zal zijn naam blijven voortleven
en hij verdient voorzeker onder de verdienstelijke Nederlanders der 17de
eeuw niet de minste plaats.
Slot
Purmersteijn waar de plannen voor de droogmaking van
de Beemster werden besproken en de verdeling van de drooggevallengronden
plaats had.
Omhoog |