Hoewel de www.beemsterswelvaart eigenlijk gericht is op de Beemster,
is het maar net een paar stappen over de dijk naar De Rijp. Vandaar
dat hier aandacht wordt geschonken aan de Grote Brand in 1654.
Behalve het feit dat het dorpje aan de overzijde van de Ringvaart
voor een groot deel in de as werd gelegd, kreeg ook de Beemster
namelijk met dit inferno te maken.

De
Brand in 1654
In de nacht van 6 op 7 januari 1654 brak er in een hennepkloppersmolen
brand uit. Het vuur greep snel om zich heen en in mum van tijd werden
er zo'n 400 huizen verwoest.
Een week
lang laaiden de vlammen steeds op; er werd dag en nacht geblust.
Door de inspanningen van de burgers, boeren en gezagsdragers
vielen er geen slachtoffers en kon de wederopbouw snel beginnen.
I n
totaal gingen er in De Rijp behalve de circa 700 woningen
ongeveer 100 pakhuizen met olie, teer en hennep, 50 hekelhuizen,
vier bruggen, 5 schuiten, 60 scheepstuigen, 400 netten, 400
bonden hennep,hennepmolens, vier paarden, 22 koeien
en 90 schapen verloren.
Van deze
ramp, maar ook van de wederopbouw, zijn verschillende ooggetuigenverslagen
bewaard gebleven. Wat er toen precies gebeurde, kan daarom
nu in de 21ste eeuw verteld worden.
De
gevolgen voor Klaterbuurt
De Grote Brand in De Rijp ging dus ook niet aan de
Beemster voorbij. De gevolgen ervan voor buurtschap 'De Klaterbuurt',
dat aan de dijk bij De Rijp lag, waren ingrijpend.
De
Beemster Kroniek en met name J.A.Leeghwater verhaalt daarover
het volgende:
- "De
wint was zoo heftig dat hij de brandende vonken dreef tot
over de Ringdijk in de Beemster, alwaar zij ontstaken het
dak van een schoone hofstede, die ook aan kolen geraakte.
- Een
weinig benoorden ook aan de voorzijde Ringdijk leit een
buurt huizen van allerhande slag volk, meest luiden van
klein vermogen, genaamt de Klaterbuurt. Deze waren ook
deelachtig aan dit ongelukt, want dezelfde vonken waren
over den dijk vliegende,
ontstaken
een groote rest van deze woningen en leidden ze in as.
- Dit
was voorwaar wel een slag in de wonde, want deze lieden,
arm zijnde, wierden nog armer door dien alles wat zij hadden
den viere geoffert was en zij op de kalen dijk moesten
de vlucht nemen ten besten dat zij konden"....
Op
20 augustus van dat jaar bleek dat de brand voor het
bestuur van de Beemster eerder een opluchting was en
een welkome gelegenheid om de buurt daar te saneren.
Baljuw, dijkgraaf en hoogheemraden van de Beemster
besluiten op verzoek van schout en secretaris van De
Rijp dat:
- "de
zuidzijde van de Klaterbuurt niet wederom opgebouwd
moge worden door dien voor dezen aldaar
niet dan vagebonden, landlopers en bedelaars, ja
dieven woonden en opgehouden werden en een kwaad
leven geleid hebben tot schade van De Rijp en de
Beemsterzelve. Hierop is goedgevonden en verstaan
rechtelijk verbod te doen aan eigenaars van de erven
op de zuidzijde van de Klaterbuurt aan een dezelve
erven te doen taxeren door baljuw enhoogheemraden
om aan te nemen ten behoeve van de gemeene Beemster.
- Claas
Jansz Hynis, bode, moet dit aan de eigenaars mededelen.
Op 13 oktober verklaart hij het verbod tot bouw of
voortzetten van de reeds begonnen herbouw te hebben
medegedeeld aan de betrokkenen.
Als
de Grote Kerk in De Rijp weer opnieuw is verrezen in
1656 schenkt de Beemster een van de 23 gebrandschilderde
ramen. Onder een baldakijn, festoenen en engeltjes
bevindt zich tussen sphinxen het met een leeuw bekroonde
wapen van de Beemster. Geheel onderin tussen een boer
en een boeren met landbouwwerktuigen in een cartouche
het opschrift Beemster Landts Wapen.
|